Steun ons en help Nederland vooruit

woensdag 23 januari 2019

Noordelijke Rekenkamer ‘Energie in Transitie’: waar staan Drenthe en haar inwoners?

Tijdens de vergadering van de commissie Financiën, Cultuur, Bestuur en Economie bespraken de Staten het Rekenkamerrapport ‘Energie in Transitie’ waarin het vergelijkende onderzoek van de vijf Rekenkamers naar de inzet van de twaalf provincies in de energietransitie. Uit de toelichting van de Noordelijke Rekenkamer op het rapport werd onder andere duidelijk dat het rapport is gericht op drie hoofdonderwerpen, te weten de opwekking van hernieuwbare energie, energiebesparing en CO2-reductie. Op het gebied van de hernieuwbare energie volgt Drenthe de landelijke ambitie. Als het gaat om energiebesparing heeft Drenthe zelf geen doelstelling geformulerd, terwijl deze er landelijk wel is. Op het gebied van de CO2-reductie heeft Drenthe wél een duidelijke doelstelling, terwijl deze er landelijk op dit onderwerp (nog) niet is. De toelichting op het rapport werd besloten met de opmerking dat Drenthe – in vergelijking met de andere provincies die zijn meegenomen in het onderzoek – tot de middenmoot behoort als het gaat om de realisatie van de energietransitie.

Van de zijde van D66 liet Marianne van der Tol haar licht schijnen over het rapport. Zij trapte haar bijdrage in de vergadering af met een vraag over de gegevens waarover de NRK kon beschikken om dit rapport op te baseren. Uit de toelichting van het NRK bleek namelijk ook dat zij niet de beschikking had over zeer actuele cijfers om het onderzoek op te baseren. Mogelijke oorzaak hiervan is het vertragende effect van berekeningen die men heeft moeten maken alvorens het onderzoek gestart kon worden. Vervolgens vroeg zij in haar bijdrage aandacht voor het belang van het opzoeken van verbinding met andere provincies, zowel binnen Nederland als over de landsgrens. Aan het college van GS stelde Van der Tol vervolgens de vraag hoe er aangekeken wordt tegen het feit dat een provincie als Utrecht heeft aangegeven niet te kunnen voldoen aan de voorgenomen hoeveelheid opwekking van duurzame energie. In zijn beantwoording gaf gedeputeerde Stelpstra aan dat hier met het vaststellen van de Regionale Energie Strategieën (RES) aandacht aan wordt geschonken en dat er eventueel een verdeelmodel wordt opgesteld. Dit verdeelmodel heeft als doel om de duurzame energie die door de ene provincie niet kan worden opgewekt, ter compensatie op te laten wekken door een provincie die hiertoe wel in staat is. Grote nadruk legde Van der Tol vanzelfsprekend op de positie van de inwoners en hun participatie in de gehele energietransitie. Van der Tol: “Er worden van bovenaf zaken bedacht op het gebied van het energiebeleid, maar de uitvoering hiervan dient juist van onderaf plaats te vinden”. Zij stelde dan ook de vraag aan het college hoe en waar in het proces inwoners worden betrokken en hoe zij worden meegenomen bij het vaststellen van de RES. Gedeputeerde Stelpstra wist hier geruststellend op te antwoorden door aan te geven dat er verschillende partijen aangeschoven zijn aan de RES-tafels en dat ze ook voornemens zijn bewonersgroepen te betrekken bij de ontwikkelingen.